Faillissementsfraude: wat blijft er over onder de streep?

De economische crisis laat het Nederlandse bedrijfsleven niet onberoerd. De verslechterde omstandigheden leiden ertoe dat niet iedere onderneming het hoofd boven water houdt. Faillissementen zijn steeds meer aan de orde van dag. Het stijgende aantal faillissementen zal vermoedelijk ook leiden tot meer strafzaken die draaien om faillissementsfraude, nu geschat wordt dat in een kwart tot een derde van de zaken sprake zou zijn van frauduleuze handelingen.  Op jaarbasis zijn dit ongeveer 3000 zaken. Beramingen van de economische schade wijzen uit dat jaarlijks 1,7 miljard euro onttrokken wordt aan de schuldeisers. Dit is zeker – in deze tijd van crisis – geen verwaarloosbaar bedrag. Al langere tijd wordt dan ook gepleit voor een strengere aanpak van faillissementsfraude. Ik ga daar hieronder op in, maar eerst  zal ik  uitleggen wat faillissementsfraude is.

Kort gezegd wordt bij faillissementsfraude de schuldeiser of rechthebbende het recht op hun verhaalsmogelijkheid ontnomen door de schuldenaar, omdat hij (of zij) op wederrechtelijke wijze geld aan de boedel onttrekt?  De onderneming wordt leeg getrokken door de fraudeur en vaak voortgezet in een nieuw op te richten onderneming. De schuldeisers blijven achter met lege handen.

Het Wetboek van Strafrecht wijdt een aparte titel (XXVI) aan faillissementsfraude met de (veelzeggende) naam benadeling van schuldeisers of rechthebbenden. De strafbaarstelling van het fraudedelict dient te bevorderen dat de schuldenaar zijn schuldeiser niet zal benadelen.

Faillissementsfraude komt voor in verschillende soorten en maten, maar buiten kijf staat dat het aanzienlijke schade oplevert. De bestrijding ervan blijft echter lastig. De kern van het probleem zit in de rol van curator bij het faillissement. De curator wordt voor zijn werkzaamheden betaald uit de boedel, maar die is vaak leeg (ten gevolge van de fraude).  De curator kan het faillissement onderzoeken, maar zal dit vanwege de lege boedel dan wel kosteloos doen. Dit betekent in de praktijk dat nader onderzoek dan vaak uitblijft.

Tineke Hilverda, hoogleraar faillissementsfraude aan de Radboud Universiteit Nijmegen, bepleit ter bestrijding van de fraude een basisvergoeding voor curatoren in te stellen. De hoogleraar meent dat curatoren de mogelijkheid geboden moet worden (diepgravend) onderzoek te doen naar mogelijk frauduleuze faillissementen.

De bestrijding van faillissementsfraude heeft recentelijk al vorm gekregen door de instelling van het centraal meldpunt faillissementsfraude en de onderzoekscapaciteit van de FIOD te verruimen. In hoeverre deze maatregelen de fraude tegengaan is vooralsnog onduidelijk.

Vooralsnog luidt de conclusie dat slechts een klein percentage van de faillissementsfraudes wordt opgemerkt en berecht. Of hierin verandering komt? De tijd zal het leren.

Vorig artikel

Zwart geld en blanco creditcards: De fiscus opent de jacht op de Nederlandse belastingontduiker

Volgend artikel

Over zalmslaatjes en zachtgekookte eitjes en strafrechtelijke gevolgen

Dit blogitem is gepubliceerd op 16 oktober 2012 door:

Van Bavel Advocaten

Van Bavel Advocaten


De strafrechtadvocaten van Van Bavel Advocaten schrijven over de ontwikkelingen binnen de rechtspraak en wet- en regelgeving op het gebied van business crime: persoonlijke verslagen, opinies, en beschouwingen, adviezen en feitelijke verhandelingen.

Van Bavel Advocaten

  • Topprofessionals in fraude- en fiscale zaken
  • Specialisten in financieel- en economisch strafrecht
  • Door nichekantoor lage kosten en persoonlijke band met advocaat
  • 24 uur per dag bereikbaar, ook buiten kantooruren of bij spoed
Lees meer over Van Bavel Advocaten