Rechtbank Amsterdam verklaart OM niet-ontvankelijk in de vervolging wegens overschrijding redelijke termijn

De Hoge Raad heeft in een arrest van 17 juni 2008 geoordeeld dat overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken niet langer niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie tot gevolg kan hebben, ook niet in uitzonderlijke gevallen. In het artikel ‘Is de tijd rijp voor terugkeer van de sanctie niet-ontvankelijkverklaring op overschrijding redelijke termijn?’ dat in juni dit jaar in het NJB verscheen, heb ik aan de hand van een aantal uitspraken laten zien dat er binnen de rechterlijke macht wel degelijk behoefte bestaat om in uitzonderlijke gevallen, gelet op de concrete omstandigheden van het geval, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te kunnen verklaren. De onderliggende reden voor deze behoefte, of dit nu is gelegen in bestraffing van de laksheid van het Openbaar Ministerie of in het ontbreken van adequate compensatie door strafvermindering, doet er niet toe. Ik heb betoogd dat het noodzakelijk is dat de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten in zijn arrest van 17 juni 2008 herzien worden in die zin dat de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in uitzonderlijke gevallen weer mogelijk wordt.

De Rechtbank Amsterdam is dat met mij eens. In een uitspraak van 7 oktober jl. gaat de Rechtbank, in een zaak van ten tijde van het strafbare feit zes minderjarige verdachten, in tegen de door de Hoge Raad geformuleerde regel dat overschrijding van de redelijke termijn nooit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging kan leiden:

Uit artikel 40, tweede lid, sub b onder iii, van het IVRK volgt dat ieder kind dat wordt verdacht van of vervolgd wegens het begaan van een strafbaar feit de garantie heeft dat de zaak zonder vertraging door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie wordt beslist. De rechtbank is van oordeel dat het vereiste van berechting ‘zonder vertraging’ de minderjarige meer rechtsbescherming biedt dan het vereiste van berechting ‘binnen redelijke termijn’ als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Daarnaast is het de vraag of de met ingang van 1 april 2013 in werking getreden verjaringsregels nog voldoende bescherming bieden tegen inactiviteit van politie en/of justitie. De rechtbank stelt vast dat, in ieder geval tot op heden, het openbaar ministerie met enige regelmaat strafzaken tegen minderjarigen (zeer) laat aanbrengt. Dit alles, brengt de rechtbank tot het oordeel dat de door de Hoge Raad geformuleerde regel dat een overschrijding van de redelijke termijn nimmer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging leidt, daar waar het gaat om de vervolging van minderjarige verdachten, genuanceerd dient te worden. Het vasthouden aan deze regel leidt, zo wijst de praktijk immers uit, er geenszins toe dat het openbaar ministerie in zaken jeugdige verdachten betreffend steeds de vereiste voortvarendheid in de strafvervolging aan de dag legt. Met de sanctie van niet-ontvankelijkheid, zo is de verwachting van de rechtbank, zal er binnen het openbaar ministerie meer urgentie gevoeld worden met betrekking tot het voortvarend afhandelen van een strafzaak tegen een minderjarige en zal aldus meer recht worden gedaan aan de geldende (inter)nationale verplichtingen en daarmee aan het (pedagogisch) belang van de minderjarige.”

Inactiviteit van het openbaar ministerie dient dus bestraft te kunnen worden met niet-ontvankelijk verklaring in de vervolging. Hoewel deze uitspraak van de Rechtbank Amsterdam ziet op het minderjarigenstrafrecht, biedt het wel mogelijkheden om deze sanctie ook terug te laten komen in het meerderjarigenstrafrecht. Want zeg nou zelf, heeft niet iedereen recht op een voortvarende behandeling van zijn of haar strafzaak?!

Vorig artikel

Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit - donkere tijden met weinig lichtpuntjes

Volgend artikel

Artikel Boswijk in Accountancynieuws meest belangwekkende artikel van 2013

Dit blogitem is gepubliceerd op 15 oktober 2013 door:

Van Bavel Advocaten

Van Bavel Advocaten


De strafrechtadvocaten van Van Bavel Advocaten schrijven over de ontwikkelingen binnen de rechtspraak en wet- en regelgeving op het gebied van business crime: persoonlijke verslagen, opinies, en beschouwingen, adviezen en feitelijke verhandelingen.

Van Bavel Advocaten

  • Topprofessionals in fraude- en fiscale zaken
  • Specialisten in financieel- en economisch strafrecht
  • Door nichekantoor lage kosten en persoonlijke band met advocaat
  • 24 uur per dag bereikbaar, ook buiten kantooruren of bij spoed
Lees meer over Van Bavel Advocaten